Boot of schip
- Nand Staes - Beyen

- 9 hours ago
- 2 min read

Praktisch
Het zijn natuurlijk allebei vaartuigen, maar in goed scheepsjargon is een boot eigenlijk een bijboot, een klein vaartuig dat bij een ander vaartuig aan boord genomen kan worden of het andere vaartuig sleept of duwt. Dat andere, grotere hoofdvaartuig is dan een schip. Een schip kan dus een boot aan boord nemen maar een boot kan geen schip aan boord nemen.
In de binnenvaart wordt "schip" anders uitgelegd en zegt men dat een schip zich niet zelfstandig kan voortbewegen maar een boot wel. Een sleepboot sleept een sleepschip. De binnenschipper zal een zeeschip dan ook zeeboot noemen.
Het politiereglement voor de binnenvaart kent echter wel weer het groot en klein uit de zeevaart, want een "snel schip" is een groot vaartuig en een "snelle motorboot" is een klein vaartuig.
Bij de marine zou men enkel van een schip spreken als er tussen het bovendek en het ruim minstens een tussendek aanwezig is.
Taalkundig
Volgens van Dale is een boot een klein, open vaartuig en een schip een vaartuig van behoorlijke afmetingen.
In samenstellingen zijn schepen in ieder geval altijd boten zoals voornoemde sleepboot of ook nog loodsboot, raderboot, stoomboot, veerboot, duwboot, reddingsboot, enz. Maar het onderwatergedeelte van een boot heet dan weer zonder uitzondering onderwaterschip.
Taalkundig is "schip" onzijdig en "boot" naar believen mannelijk of vrouwelijk.
Etymologisch komt boot van het Middelnederlandse boot dat op zijn beurt van het Middelengelse böt is afgeleid en verwant is met bijten wat dan weer zou wijzen op uitgeholde boomstam als grondbetekenis. Verder is er nog een verwantschap met het Middelnederlandse bote wat ton betekent.
Het woord schip zou dan van het Middelnederlands schip komen of het Oudsaksisch (Oudfries, Oudnoors, Gotisch) skip verwant met het Oudhoogduitse scif. Telkens met de grondbetekenis snijden of hakken, wat dan weer naar die uitgeholde boomstand zou verwijzen.
%20357%20x%20195.jpg)



Comments